Minder kraamzorg, meer behoefte: waarom steeds meer gezinnen tekortkomen
De hoeveelheid kraamzorg die gezinnen in Nederland ontvangen, staat onder druk. De afgelopen jaren is het aantal uren kraamzorg gedaald, terwijl de behoefte juist lijkt toe te nemen. Dat komt onder meer doordat vrouwen na de bevalling sneller het ziekenhuis verlaten en daardoor meer afhankelijk zijn van zorg thuis. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en Zorginstituut Nederland, evenals uit toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
Opvallend is dat vooral gezinnen in een kwetsbare situatie minder kraamzorg ontvangen dan aanbevolen. Waar minimaal 24 uur als richtlijn geldt, krijgt ruim één op de vijf kwetsbare gezinnen minder zorg dan dit minimum. Bij gezinnen die niet als kwetsbaar worden beschouwd, ligt dat percentage aanzienlijk lager.
Kwetsbaarheid hangt vaak samen met meerdere factoren tegelijk, zoals financiële problemen, een lager inkomen of opleidingsniveau en een migratieachtergrond. Juist voor deze gezinnen is kraamzorg extra belangrijk. De ondersteuning helpt niet alleen bij het lichamelijk herstel van de moeder, maar biedt ook begeleiding bij de verzorging van de baby en emotionele steun in een intensieve periode.
Naast verschillen tussen groepen gezinnen zijn er ook duidelijke regionale verschillen. In heel Nederland is het aantal kraamzorguren gedaald, maar in regio’s zoals Zuid-Limburg en Zeeland is die afname het grootst. Daar kregen gezinnen soms meer dan zeven uur minder zorg dan voorheen. In grote steden zoals Amsterdam en Rotterdam ligt het aantal kraamzorguren al langer relatief laag. Hoewel de daling daar minder sterk is, ontvangen gezinnen in deze stedelijke gebieden vaker minder dan de aanbevolen 24 uur, of zelfs helemaal geen kraamzorg. Ook sociaaleconomische verschillen spelen een rol: gezinnen met lagere inkomens krijgen gemiddeld aanzienlijk minder uren zorg dan gezinnen met hogere inkomens.
Uit het onderzoek komt geen duidelijk verband naar voren tussen het aantal kraamzorguren en het zorggebruik van moeder en kind in de jaren na de geboorte. Wel valt op dat moeders die veel kraamzorg ontvangen, vaker gebruikmaken van geestelijke gezondheidszorg en specialistische ziekenhuiszorg. Of dit betekent dat kraamzorg goed aansluit bij een grotere zorgbehoefte, of dat andere factoren een rol spelen, blijft onduidelijk. Het RIVM start daarom in 2026 vervolgonderzoek naar de oorzaken van de verschillen in kraamzorggebruik.
Volgens Zorginstituut Nederland is het tijd om anders naar kraamzorg te kijken. In plaats van vaste pakketten met standaarduren zou de zorg beter afgestemd moeten worden op de werkelijke behoefte van een gezin. De Zorgverzekeringswet biedt daar al ruimte voor, doordat wordt uitgegaan van wat een gezin redelijkerwijs nodig heeft. Dat kan betekenen dat sommige gezinnen minder zorg nodig hebben, terwijl anderen juist meer ondersteuning zouden moeten krijgen. Een meer flexibele inzet van kraamzorg kan er bovendien voor zorgen dat het beperkte aantal zorgverleners efficiënter wordt ingezet.
De druk op de kraamzorg neemt toe door personeelstekorten. De IGJ signaleert dat deze tekorten in steeds meer regio’s leiden tot minder beschikbare zorg. Ondanks de inzet van kraamzorgorganisaties wordt het steeds moeilijker om iedereen voldoende ondersteuning te bieden. Vooral voor kwetsbare gezinnen brengt dit risico’s met zich mee. Volgens de inspectie is daarom een gezamenlijke aanpak nodig om de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk te verdelen.
Kraamzorg speelt een essentiële rol in de eerste dagen na de geboorte. Het draagt bij aan een goede start voor moeder en kind en biedt gezinnen de ondersteuning die ze nodig hebben in een ingrijpende levensfase. Juist daarom is het belangrijk dat deze zorg toegankelijk blijft voor iedereen die het nodig heeft.
BRON: Zorginstituut Nederland